vrijdag 23 augustus 2013

Kamiel Top, België (1923-1945)




Kamiel Top werd geboren op 04.01.1923 als Kamiel Alfred Top te Adinkerke als enig kind van Hendrik Lodewijk Top, dagloner en spoorwegarbeider, en Alphonsina Verhelst, huisvrouw.

In 1936 verhuisde het gezin naar Nieuwpoort en werd hij ingeschreven in het 2e studiejaar middelbare afdeling van de Rijksmiddelbare Jongensschool in dezelfde plaats, alwaar Karel Jonckheere leraar Nederlands was en tevens fungeerde als Top's mentor.

Hij debuteerde in 1938 met de novelle Een begrafenis in het tijdschrift Voetlicht. In datzelfde jaar werkte hij mee aan De pijl, het officiële tijdschrift van de Rijksmiddelbare Scholen te Nieuwpoort en verschenen zijn eerste gedichten in ditzelfde tijdschrift.

In 1939 begon hij aan de Rijksmiddelbare Normaalschool te Gent om voor regent Germaanse talen te studeren. Een jaar later neemt bij het uitbreken van de oorlog de wijk naar Frankrijk en hervat later de studie te Gent. Hij wordt opgenomen in de letterkundige kring ‘De Faun’ te Gent, interesseert zich fel voor jazzmuziek en begint platen te verzamelen.

In 1943 promoveert hij tot regent in Germaanse talen. Hij wordt aangesteld als bediende bij de ravitailleringsdienst te Nieuwpoort. Van die baan maakte hij gebruik om rantsoeneringszegeltjes te ontvreemden en te bezorgen aan ondergedoken verzetslieden en neergeschoten piloten. Hiervoor werd hij prompt ontslagen.

In het voorjaar van 1944 had hij eindelijk weer een baan gevonden, als brugdraaier aan de Nieuwpoortsesluizen toen hij op de dag dat hij zou beginnen 's morgens om zes uur tezamen met zijn sluismeester en andere collega's door de Gestapo werd opgepakt op verdenking van sabotage en gedeporteerd naar concentratiekamp Flossenburg alwaar hij op 4 maart 1945 door dysenterie en uitputting zou overlijden. (als nummer 43368)

Bibliografie:

In 1941 verscheen bij de Nederlandse Boekhandel, door bemiddeling van Karel Jonckheere zijn debuutbundel “Het open venster”. Zijn verzen stonden onder sterke invloed van zowel Jonckheere als van Van de Woestijne. Zijn tweede bundel “Van zee en vissers” schreef hij op vraag van kunstschilder Emiel Frijns bij diens lino's. In 1984 werden beide bundels onder de titel open vensters uitgebracht door het Massereelfond Gent.
 
 

In 1946 verschenen er ook nog een essay over jazz & een novelle getiteld de Begrafenis.

Werkmanskind

Uit: ‘Het open venster’ 1941.


Jij bent geboren op een avond, kind,

geboren onder ’t ruisen van de bomen:

er woei een zachte, zoele zomerwind,

die als gezant der verten scheen te komen.

Het was een avond als er vele zijn;

jouw komst werd niet verkondigd in de bladen;

er was alleen in plaats van koffie, wijn,

en nieuwe luiers in de oude laden.

Je deed je moeder leed voor de eerste maal,

en las voor ’t eerst vergeven in haar ogen, u

van liefde glanzend. O, die ogentaal,

die oude taal, die nimmer heeft gelogen !

Jij bent geboren op en avond, kind…,

er was voor jou geen loeien van sirenen:

er was alleen het ruisen van de wind,

en in dat ruisen ook jouw eerste wenen.

Je vader dronk kontent een extra-pint;

en is beschonken weer naar huis gekomen.

Je bent geboren op een avond, kind;

en had als deel het zingen van de bomen.


bronnen : dbnl & schrijversgewijs

dinsdag 20 augustus 2013

Koos van Rijckevorsel, Nederland (1896 - 1918)



Kwam vandaag in het bezit van de in 1919 bij de Zuid Nederlandse drukkerij te 's Hertogenbosch verschenen bundel Klanken van het Brabantsche land van Koos van Rijckevorsel met gedichten die hij schreef tussen zijn zestiende en achttiende jaar (november 1912 - februari 1914).

Het korte voorwoord van zijn vader op 4 januari 1919 met de zinsnede "Thans jub'lend in der engelenrij" deed in ieder geval vermoeden dat we hier te maken hadden met een jong gestorven dichter, maar meer dan dat gaf de bundel niet prijs.

Na enig genealogisch onderzoek inmiddels weer iets verder gekomen.

Koos werd op 4 maart 1896 te Vught geboren als Jacobus Johannes Maria van Rijckevorsel. Waarschijnlijk zou hij het laatste kind binnen het gezin blijken, aangezien zijn ouders Aloijsius MJT van Rijckevorsel (wijnhandelaar) & Theresia Maria Bonnike (die op 16 april 1874 te Amsterdam in het huwelijk traden) beide al halverwege de veertig waren bij zijn geboorte.

Hij overleed op 7 november 1918 te Roermond 22 jaar oud.

Meeuwen

Lui zijn de puntige vlerken aan 't wuiven:
De lijven ze zwenken steeds heen ende weer:
Zacht zucht de wind door de donkere kuiven:
De zonglans licht wit op hun kleedje van veer.

Ik zie hoe ze wankelend zweven en schuiven,
Vlak boven 't spatten van 't grijsgrauwe meer:
Ze krijschen en wild door elkander heen, ze stuiven
En zijgen, heel zacht, op het watervlak neer.

Dan schomm'len ze rustig en laten zich wiegen
Op 't deinend gewentel der klotsende baren,
Als dobb'rende pinken, die huizewaarts varen.

En na dat gedans zie 'k ze spelend weer vliegen,
Omhoog en omlaag zonder poozen of rusten,
Hoog boven zee, boven duinen en kusten.

18 december 1912 - 16 jaar

Benieuwd of ik nog meer boven water kan krijgen van deze van Rijckevorsel, gedichten tussen februari 1914 en november 1918 zouden bijvoorbeeld mooi zijn, verblijf ik.


zaterdag 17 augustus 2013

Nikolay Rubtsov, Rusland (1936-1971)

 
Nikolay Rubtsov werd geboren op 03 januari 1936 te Emetsk. Hij bracht zijn jeugd door in kindertehuizen na het vroegtijdige overlijden van zijn moeder en het feit dat zijn vader niet in staat bleek de opvoeding van vier kinderen (twee waren vroegtijdig overleden) voor zijn rekening te nemen.

Hij werkte onder andere als brandweerman op vissersvloot & in de Kirov fabriek te Lenningrad.

Hij begon met het publiceren van poëzie in 1957, en publiceerde uiteindelijk gedurende zijn leven een vijftal bundels. Postuum zouden er nog enkele verschijnen. Rubtsov's poëzie is simpel in zowel stijl als thematiek doch ingenieus te noemen, en handelt grotendeels over het leven in en rond Vologda. Rubtsov's werk borduurt volgens sommige voor op dat van Esenin & Koltsov.

In 1969 studeerde hij af aan het M.Gorky
instituut voor literatuur.

Ten gevolge van een hoogoplopende familieruzie werd hij op 19 januari 1971 te Vologda door zijn vriendin gewurgd,  Hij ligt begraven op de Posekhonsky begraafplaats te V.

Verschillende van zijn teksten zijn later menigmaal door Russische zangers & (pop) muzikanten op de plaat gezet. Waardoor ook de jeugd tot op de dag van vandaag niet onbekend is met zijn werk.

I will die in Epiphany cold

I will die in Epiphany cold
I will die when birch trees creak and moan.
But in spring it will make blood run cold
River waves will make the graveyard flow!
From my flooded grave so rudely opened
Dull forgotten coffin will be floating,
It will crack and crash and in the twilight
Awful remnants will be coming off sight.
What is it - I hardly ever know
Do not trust eternal peaceful flow!

Night in the Motherland

The oak tree's tall. The water's running deep.
The restful shadows round begin to steal.
And there's such silence up on you to creep
As though the nature here knew no ordeal!
And there's such silence up on you to creep
As though no roof heard any tell of thunder!
No wind along the pond will break its sleep,
No farmyard straw will rustle somewhere under,
Nor often is a drowsy crake's cry sung...
I'm back — the past will not return again!
It's just as well; let this at least remain,
Let this short moment last, at least stay young,
When there's no woe your soul has got to weep,
And it's so restful as the shadows reel,
And there's such silence up on you to creep
As though in life there should be no ordeal,
And your own heart which you will not repent
Of having all drowned in a mystic probe,
Is taken hold of with the bright lament
Like moonlight takes hold of the earthly globe...

(vertalingen door Irina Kulikova)

zaterdag 10 augustus 2013

Eric Stenbock, Estland (1860-1895)



Eric Stenbock (Graaf van Bogesund en Erfgenaam van een landgoed nabij Kolga) werd geboren op 12 maart 1860 in het Baltische deel van toenmalig Duitsland. Stenbock's vader stierf plotseling toen Eric slechts één jaar oud was. Zijn bezittingen werden beheerd door zijn grootvader Magnus Stenbock. Kort daarna stierf de grootvader aan moederskant die katoenfabrikant was, waardoor Eric nog meer gelden in vooruitzicht werden gesteld.

Stenbock studeerde aan het Balliol College te Oxford, maar zou zijn studies nooit afronden. Tijdens zijn verblijf in oxford, werd hij (op meerdere vlakken) sterk beïnvloed door kunstenaar en illustrator Simeon Solomon. Daarnaast werd er ook wel beweerd dat hij een relatie had met componist en dirigent Norman O'Neill en met enkele andere heerschappen.

In Oxford bekeerde hij zich ook tot het Rooms-katholicisme, waarbij hij de naam Stanislaus aannam. Naar eigen zeggen zou hij in deze periode elke week een ander geloof geprobeerd te hebben, zodat hij aan het einde van zijn leven een gecombineerd geloof had ontwikkeld dat bestond uit elementen uit het Katholicisme, het Boeddhisme en de Idolatrie.

In 1885 overleed Magnus Stenbock, waardoor Eric de titel van Graaf kreeg en het beheer van veel familie-bezittingen in Estland. Eric reisde naar Kolga en verbleef aldaar zo'n anderhalf jaar om in de zomer van 1887 weer terug te keren naar Engeland, Tegen deze tijd reeds worstelend met een alcohol en drugsverslaving.

Stenbock gedroeg zich uiterst excentriek. Hij hield slangen, hagedissen, salamanders & padden in zijn kamer, terwijl zijn tuin aardig op een diergaarde begon te lijken met onder andere een rendier, een vos en een beer. Wanneer hij reisde, had hij vaak een aap of levensgrootte pop bij zich, die hij aansprak als de kleine graaf en voorstelde als zijnde zijn zoon.

Stenbock leefde grotendeels in Engeland en schreef zijn werk dan ook in het Engels. Gedurende zijn leven publiceerde hij een drietal poeziebundels en een verzameling korte verhalen die onder andere positief besproken werd door H.P.Lovecraft.

Tegen 1895 was hij zwaar verslaafd aan opium en alcohol en keerde terug naar Brighton, waar zijn moeder leefde en waar hij zijn tijd grotendeels inhuizig doorbracht met de gordijnen gesloten en kaarsjes brandend voor Buddha & de dichter Shelley. Hij stierf op 26 april 1895 gedurende een dronken argument met zijn stiefvader. Stenbock stond met een pook te zwaaien, viel om in de open haard en stond niet meer op. (bron:wikipedia)

Sonnet VIII

Oh - and the darkness grew intolerable,
And as I looked down the long, low corridor
I felt another horror, unfelt before.
There was no light there -- but may-be the flames of Hell

Cast shadows darker than darkness -- palpable --
It did not walk, yet crept not on the floor,
And my soul froze within me to the core.
It touched me and It spoke -- how It spoke I cannot tell.

Yea, and it spoke to me thus mockingly
 
"Resist me not, with me there is no strife,
Dids't thou not call upon me, I am come
To be the Guardian Angel of thine home,
To be a light to lighten all thy life
Henceforth we will dwell together, thou and I."

woensdag 7 augustus 2013

Hannah Szenes, Hongarije (1921 - 1944)



Hannah Szenes werd geboren op 21 juli 1921 te Boedapest in een geassimileerd joods gezin. Haar vader Béla, was journalist en toneelschrijver. Hij overleed toen Hannah zes was.

Ze ging naar een protestantse meisjeschool waar ook katholieke en joodse leerlingen werden aangenomen. Dat er voor haar als jodin driemaal het normale schoolgeld betaald diende te worden, samen met haar bewustwording van de hachelijke situatie van de joden in Hongarije brachten haar ertoe, zich te bekeren tot het joodse geloof. Zo sloot ze zich aan bij een Hongaarse zionistische studentenvereniging en vertelde aan een ieder dat ze naar het beloofde land wilde.

Na haar eindexamen in 1939 emigreerde ze naar Palestina, alwaar ze verder leerde aan de meisjeslandbouwschool te Nahalal. In 1941 werd ze lid van kibbutz Sdot Yam en van de Hagganah, de paramilitaire groep waar ooit het Israelische leger uit voort zou komen. In 1943 meldde ze zich aan bij het britse leger en begon haar opleiding als parachutist.

In maart 1944 werd zij met nog twee anderen (als onderdeel van een grotere operatie) boven Joegoslavië gedropt, met als missie de joden van Hongarije te redden van transport naar Auschwitz, alwaar ze zich bij een groep Partizanen voegden. Toen bleek dat de Duitsers Hongarije al bezet hadden, besloten de twee de missie op te geven, maar Hannah wilde daar niets van weten en begaf zich naar de Hongaarse grens alwaar ze werd aangehouden door Hongaarse grensposten , die haar radiozender ontdekten. Ze werd gevangengezet, ondervraagd en gemarteld maar weigerde ook maar iets prijs te geven. Ze werd berecht voor verraad op 28 oktober 1944 en uiteindelijk op 7 november van dat jaar door een vuurpeleton om het leven gebracht.

Het dagboek dat ze jarenlang bijhield (tot op de laatste dag) werd in 1946 in het Hebreeuws uitgebracht. Haar stoffelijke resten werden in 1950 herbegraven op mt Herzl te Jeruzalem.

Szenes schreef als toneelschrijfster en dichteres zowel in het Hongaars als in het Hebreeuws. Haar bekendste gedichten zijn Halikha LeKesariya & Eli Eli. (bron Wikipedia)

dinsdag 6 augustus 2013

Otto Rene Castillo, Guatamala (1934 - 1967)




Otto Rene Castillo werd geboren op 25 april 1934 te Quetzaltenango in Guatamala. Hij groeide op in een middenklasse gezin en was op de middelbare school reeds actief in de politiek. Hij studeerde enige tijd cinematografie en kunst aan de Universiteit van Leipzig, alwaar hij onder andere college kreeg van Joris Ivens. Op zijn achttiende begon hij met het schrijven van artikelen voor jeugdmagazines.

In 1954 vluchtte Castillo in exile naar El Salvador na de afzetting van de Guatamalese president Jacobo Arbenz, alwaar hij afhankelijk werkte als arbeider, verkoper etc. In El Salvador kwam Castillo echter ook in contact met de dichter Roque Dalton en diens vriendenkring, die hem aanmoedigde om meer poëzie te schrijven en te publiceren. Zijn eerste gedichten verschenen niet veel later in The Daily Latino. Hij ging naar de universiteit om rechten te studeren en richtte aldaar een literaire universiteits cirkel op. Waar onder andere veel uit Guatamala gevluchtte schrijvers zich bij aan zouden sluiten.

Zijn poëzie werd beinvloed door mensen als Neruda, Vallejo en Hernandez & in 1955 ontving Castillo samen met Dalton de Poëzieprijs voor Centraal Amerika.

De daaropvolgende jaren bevond hij zich zowel in El Salvador als daarbuiten. Zo verbleef hij in Europa, Azie & Afrika en keerde in 1964 kort terug naar Guatamala, om zich te richten op zowel de ontwikkeling van culturele activiteiten als het steunen van arbeiderspartij aldaar. Hij werd gevangengenomen en het land uitgezet, waarop hij weer naar Europa vertrok alwaar hij het world youth festival oprichtte.

In de jaren zestig verschenen twee bundels van zijn hand : “Poema Tecun Uman” & “Vamonos patria a caminar”

In 1966 keerde hij clandestien terug naar Guatamala, alwaar hij zich aansloot bij de guerillastrijders . Hij werd echter in maart 1967 gevangengenomen door overheidstroepen en voor een periode van vier dagen ondervraagd, gemarteld en naar men beweert uiteindelijk levend in brand gestoken. Hij overleed op 23 maart 1967. Hij werd 32 jaar oud.

Apolitical Intellectuals

One day
the apolitical
intellectuals
of my country
will be interrogated
by the simplest
of our people.

They will be asked
what they did
when their nation died out
slowly,
like a sweet fire
small and alone.

No one will ask them
about their dress,
their long siestas
after lunch,
no one will want to know
about their sterile combats
with "the idea
of the nothing"
no one will care about
their higher financial learning.

They won't be questioned
on Greek mythology,
or regarding their self-disgust
when someone within them
begins to die
the coward's death.

They'll be asked nothing
about their absurd
justifications,
born in the shadow
of the total life.

On that day
the simple men will come.

Those who had no place
in the books and poems
of the apolitical intellectuals,
but daily delivered
their bread and milk,
their tortillas and eggs,
those who drove their cars,
who cared for their dogs and gardens
and worked for them,
and they'll ask:

"What did you do when the poor
suffered, when tenderness
and life
burned out of them?"

Apolitical intellectuals
of my sweet country,
you will not be able to answer.

A vulture of silence
will eat your gut.

Your own misery
will pick at your soul.

And you will be mute in your shame.


Satisfaction

The most beautiful thing
for those who have fought a whole life
is to come to the end and say;
we believed in people and life,
and life and the people
never let us down.

Only in this way do men become men,
women become women,
fighting day and night
for people and for life.

And when these lives come to an end
the people open their deepest rivers
and they enter those waters forever.
And so they become, distant fires, living,
creating the heart of example

The most beautiful thing
for those who have fought a whole life
is to come to the end and say;
we believed in people and life,
and life and the people
never let us down.

Before the Scales, Tomorrow:

And when the enthusiastic
story of our time
is told,
who are yet to be born
but announce themselves
with more generous face,
we will come out ahead
--those who have suffered most from it.

And that
being ahead of your time
means much suffering from it.
But it's beautiful to love the world
with eyes
that have not yet
been born.

And splendid
to know yourself victorious
when all around you
it's all still so cold,
so dark.


maandag 5 augustus 2013

Han Mac Tu, Vietnam (1912-1940)


 
De meest voorkomende aan een ziekte gerelateerde doordsoorzaak onder jonggestorven dichters is zonder enige twijfel Tuberculose. Een stuk zeldzamer, en waar ik tot nu toe zelfs slechts één voorbeeld van heb kunnen vinden, is lepra & wel in de persoon van Han Mac Tu.

 
Han Mac Tu werd als Nguyen Trong Tri geboren op 22 september 1912 te Le My, Vietnam. Hij groeide op in een arm gezin en verloor zijn vader toen hij nog jong was. Hij begon op jonge leeftijd met het schrijven van gedichten en vond al snel de nodige waardering en aanmoediging om daar mee verder te gaan.

In 1937 liep hij lepra op en werd uiteindelijk in september 1940 opgenomen in het ziekenhuis alwaar hij twee maanden later (11 november) zou overlijden.

Han Mac Tu's vroege gedichten zijn beroemd om hun pure vorm en taal, die deed denken aan de meer klassieke dichters. De periode daarna werd zijn werk voor een groot deel beinvloed door de Franse Symbolisten. Nadat hij ziek was geworden werden zijn teksten echter stelselmatig depressiever en gewelddadiger . In een zoektocht naar een nieuwe stijl richtte hij de disorded school of poetry op.

Tijdens zijn leven verscheen er slechts één bundel : Plattelands meisjes (1936). Postuum zouden er nog vier verschijnen. Vooralsnog ben ik geen vertalingen van zijn werk tegen gekomen.